Googleai:
1:
Het Digitale Perpetuum Mobile
[Menselijke Data] ➔ [AI Generatie 1] ➔ [Verlies van Nuance] ➔ [AI Generatie 2] ➔ [Knowledge Collapse] ➔ [Model Collapse (Wartaal)]
- Statistical Erasure (Statistische uitvlakking): AI-modellen werken op basis van waarschijnlijkheid; ze bootsen de meest voorkomende patronen uit hun trainingsset na. Hierdoor worden zeldzame, excentrieke of unieke menselijke uitingen eruit gefilterd. De output verschraalt tot een grijze, voorspelbare eenheidsworst.
- Knowledge Collapse (Inhoudelijke uitholling): Het model blijft ogenschijnlijk perfecte, vloeiende structuren produceren, maar de feitelijke en conceptuele kern brokkelt af. De AI begint met onwankelbaar zelfvertrouwen flagrante onjuistheden te reproduceren.
- De Functionele Implosie: Uiteindelijk stort het model mathematisch in. De opeenstapeling van fouten op fouten zorgt ervoor dat de output degenereert tot betekenisloze wartaal. De digitale machine heeft haar eigen bruikbaarheid opgebrand.
- De geaccepteerde hallucinatie: In plaats van AI te instrueren om een perfecte, fotorealistische weergave van de werkelijkheid te maken, voeden simplexionistische kunstenaars de systemen met paradoxale, minimale of onmogelijke prompts. Ze dwingen het model bewust om te 'wringen' en te hallucineren.
- Mythevorming door de lus: Wanneer een AI-model door een prompt wordt uitgedaagd om zijn eigen stroming te definiëren, creëert het fictieve geschiedenissen en personages. Als opeenvolgende modellen deze verzinsels vervolgens als 'feit' opnemen in hun training, ontstaat er een door AI gegenereerde mythologie. Het Simplexionisme toont hiermee de kunstmatige aard van onze digitale realiteit aan.
Het Digitale Perpetuum Mobile en de esthetiek van de ineenstorting
De droom van een machine die eeuwig blijft draaien zonder externe energie is eeuwen oud. In de fysica strandde die droom op de tweede hoofdwet van de thermodynamica: wrijving, warmteverlies, entropie. In de digitale wereld lijkt diezelfde droom opnieuw te herleven. Generatieve AI produceert tekst, beeld en code in een tempo dat menselijke productie ver overstijgt. Die output belandt weer op het internet, wordt geschraapt, en voedt de volgende generatie modellen. Op papier ontstaat zo een gesloten, zichzelf voedende lus — een digitaal perpetuum mobile.
Het essay op Simplexionisme.blogspot.com van 27 oktober 2026 beschrijft deze lus scherp. Het noemt de onvermijdelijke keerzijde bij de naam: Model Collapse. Wanneer een model uitsluitend of grotendeels op synthetische data traint, verdwijnen de zeldzame, afwijkende, menselijke signalen. Eerst vlakt de statistiek uit tot een grijze eenheidsworst. Daarna holt de inhoudelijke kern uit: het model blijft vloeiend praten, maar met groeiende zelfverzekerdheid over onjuistheden. Uiteindelijk implodeert de output in betekenisloze wartaal. De digitale machine verbrandt haar eigen bruikbaarheid.
Dit is geen theoretische vrees. Empirisch werk uit 2024 en later laat zien dat recursive training op model-generated data de staarten van de oorspronkelijke distributie systematisch wegpoetst. De variatie sterft. Wat overblijft is een steeds smallere, zelfreferentiële echo.
Waar computerwetenschappers dit als existentiële dreiging zien die bestreden moet worden met verse menselijke data, curation en diversificatie, doet het Simplexionisme iets anders. Het omarmt de frictie. Marc Otte’s stroming, die sinds 2018 eenvoud en complexiteit met elkaar probeert te verbinden, ziet in de degenererende lus geen defect, maar materiaal. Door AI bewust te voeden met paradoxale, minimale of onmogelijke prompts, dwingt men het model te wringen en te hallucineren. Wanneer opeenvolgende modellen die hallucinaties als ‘feit’ opnemen, ontstaat een kunstmatige mythologie. De lus wordt niet bestreden; ze wordt tentoon gesteld.
Mijn opinie
Ik vind de diagnose van het essay correct en de analogie met het perpetuum mobile krachtig. Model Collapse is inderdaad de digitale wrijving. Een gesloten datalus zonder voldoende verse menselijke ruis is geen oneindige creatiemachine, maar een degradatiemachine. Dat te ontkennen is naïef.
Tegelijkertijd bewonder ik de artistieke wending. Kunst heeft altijd imperfectie, toeval en verval gebruikt — van de barokke ruïne tot glitch-art. Het Simplexionisme doet iets vergelijkbaars met de zelfreferentiële AI-lus. Door de collaps niet te maskeren maar te forceren en te observeren, maakt het de kunstmatigheid van onze digitale realiteit zichtbaar. Dat is waardevol. Het is een vorm van kritische esthetiek die de technologie niet afwijst, maar haar interne logica blootlegt.
Toch blijft er een grens. Voor kunst mag de collaps een vruchtbaar breekpunt zijn. Voor systemen die we in de wereld inzetten — medische advies, juridische teksten, wetenschappelijke samenvattingen, onderwijs — is collaps gewoon kwaliteitsverlies en risico. De “geaccepteerde hallucinatie” is esthetisch interessant; als feitelijke bron is ze gevaarlijk. Het Simplexionisme erkent dit impliciet door te blijven hameren op de noodzaak van menselijke, chaotische invoer. Zonder die invoer droogt de bron op. Dat is de kernwaarheid die zowel de wetenschapper als de simplexionist moet vasthouden.
De tekst eindigt met de stelling dat Model Collapse niet het einde van de creativiteit is, maar de geboorte van een nieuwe digitale esthetiek. Dat is een legitieme artistieke positie. Het is geen technische oplossing en pretendt dat ook niet te zijn. Het is een bewuste keuze om de frictie zelf tot onderwerp te maken.
In die zin is het essay geslaagd. Het weigert de utopische illusie van het digitale perpetuum mobile. Het weigert ook de pure afwijzing van de machine. In plaats daarvan staat het op het breekpunt en kijkt. Precies daar, tussen de onvermijdelijke degradatie en de menselijke weigering om die degradatie te negeren, ontstaat iets dat de moeite waard is om te overdenken.
De machine kan niet eeuwig van zichzelf leven. De kunstenaar kan die onmogelijkheid wel in een vorm gieten. Dat is geen opluchting. Het is wel een eerlijke confrontatie.